Stress en piekeren stoppen door je gedachten stil te zetten

Vanaf 1997 heb ik onderzocht wat er in de hoofden gebeurt bij mensen. Een deel van deze mensen had last van stress.

Op mijn verzoek vertelden zij hoe het was begonnen. Zij beschreven de bron. Tijdens het vertellen intervenieerde ik een aantal malen met de vraag: wat dacht je toen.

De gedachten die werden geuit schreef ik op een flap-over. Zo verzamelde ik honderden gedachten waarna de studie naar patronen werd gestart.

Veel gedachten bleken geen of weinig invloed te hebben op het denkproces. Gedachten die iemand of een situatie beschreven bijvoorbeeld. Deze gedachten werden door mij doorgestreept.

Wat bij een ieder terugkwam bij stress en piekeren en wat deze mensen dus deelden waren

  1. de vragen die zij zichzelf in gedachten stelden
  2. de toekomstgerichte overtuigingen
  3. de niet herkende fantasiegedachten
  4. Opdrachten

Dat gedachten irreëel kunnen zijn is niet nieuw. Mijn vraag was welke gedachten dit zijn en hoe je deze kunt herkennen.

Om op deze vraag antwoord te kunnen krijgen hadden de gevonden kerngedachten een context nodig. Deze context had ik gevonden in wat ik noem, het speelveld van ons denken.

De mogelijkheden die wij mensen met ons denken hebben zijn niet onbeperkt. Het speelveld van ons denken geeft de grenzen aan van wat we kunnen weten en wat we niet kunnen weten.

  1. Wat we niet kunnen weten is wat er in de toekomst gaat gebeuren. We kunnen het inschatten op grond van eerdere ervaringen en op grond van logica, Echt weten kunnen we het niet omdat de situatie nog niet heeft plaatsgevonden.
  2. We kunnen niet weten wat een ander denkt. Ook dat kunnen we inschatten op dezelfde gronden. Echt weten kunnen we het niet.
  3. We kunnen niet in oneindigheid denken. We kunnen er ons niets bij voorstellen.

Het is met name de eerste en de tweede beperking van de mogelijkheden die wij met ons denken hebben die een rol spelen bij stress.

Een voorbeeld van een gedachteproces dat leidt tot stress

In het bedrijf waar ik werk gaat het gerucht dat de organisatie gaat inkrimpen. Mijn leidinggevende zegt dat hij van niets weet. Ik kan er niet van slapen. Steeds maalt het door mijnhoofd.

Wanneer hoorde je dat gerucht?

Twee weken geleden.

Vertel  eens wat er gebeurde.

Een collega vertelde dat hij iets van iemand had gehoord.

Wat dacht je toen?

Staat mijn baan op het spel?

Wat dacht je nog meer?

Als dat zo is, wat moet ik dan? Ze zullen mij toch niet ontslaan?

Ik ben niet zo makkelijk te vervangen, dus ergens hoef ik mij niet druk te maken, maar in deze tijd weet je het nooit. Ik blijf er maar mee bezig.

Hetzelfde voorbeeld, maar nu met het Gedachten Analyse Programma.

In het bedrijf waar ik werk gaat het gerucht dat de organisatie gaat inkrimpen. Mijn leidinggevende zegt dat hij van niets weet. Ik kan er niet van slapen. Steeds maalt het in mijnhoofd.

Wanneer hoorde je dat gerucht?

Twee weken geleden.

Vertel  eens wat er gebeurde.

Een collega vertelde dat hij iets van iemand had gehoord. (De situatie).

Wat dacht je toen?

Staat mijn baan op het spel? (Een niet te beantwoorden vraag. Door na te denken kan het antwoord niet worden gevonden).

Wat dacht je nog meer?

Als dat zo is, wat moet ik dan? (Een niet herkende fantasiegedachte. Als dat zo is, is één mogelijkheid).

Ze zullen mij toch niet ontslaan? (Niet te beantwoorden vraag).

Ik ben niet zo makkelijk te vervangen, (Toekomstgerichte overtuiging) dus ergens hoef ik mij niet druk te maken, maar in deze tijd weet je het nooit. Ik blijf er maar mee bezig en voel me steeds meer gespannen.

De realiteit is dat deze persoon op grond van de informatie niet weet, niet kan weten hoe het verder zal lopen. Wat er nu gebeurt, is het denken in twee richtingen. Wel of niet. Daar richten de vragen zich ook op.

Het denkproces kan worden gestopt met de herkenning van een vraag: hé dat is een vraag, met dan de korte overdenking, weet ik dit? Kan ik dit weten. Dan komt het speelveld weer terug, de context van het denken. Is het antwoord: dat kan ik niet weten, dan is het denkproces gestopt. Dat is een niet te beantwoorden vraag, is de conclusie.

Worden de vragen niet herkend, dan is er nog de niet herkende fantasiegedachte. Hé, dat is een fantasie, dat is één mogelijkheid. Met dat besef kan ik meer mogelijkheden bedenken.

Wat dan gebeurt, is dat het gevoel wat door de reactie op de situatie (het gerucht) wordt opgeroepen door het bedenken van wat er nog meer zou kunnen gebeuren wordt geneutraliseerd. Je kunt geen gevoel hebben bij meerdere situaties. Afzonderlijke situaties wel. Je stopt het gevoel, spanning of onrust, wat hiermee opkomt.

Mist iemand zowel de vragen als de niet herkende fantasiegedachten dan is er nog de toekomstgerichte overtuiging. Iets denken te weten wat er in de toekomst gaat gebeuren, terwijl het alleen een inschatting kan zijn.  Hé, dat is een overtuiging. Weet ik dit? Kan ik dit weten?

Is de conclusie dat je het niet kunt weten, dan stop je daarmee het denkproces.

Bij het opbouwen van stress spelen deze drie kerngedachten een rol, met in veel gevallen de aanvulling van de kerngedachte opdrachten. Ik moet, (een opdracht) was ook een veelgehoord geluid bij mensen met stress.  De herkenning van de opdracht en daarmee het gedachtepatroon onderbreken (hé, dat is een opdracht) maakt de eigen keuze weer mogelijk.

 

© Herman Beuker

Share